Uitstraling artikel 3 - Dyscalculie

Kinderen met dyscalculie gebruiken vaak hun vingers om eenvoudige sommetjes uit te rekenen. Ze kunnen niet vlot met geld omgaan bij het afrekenen van boodschappen, hebben problemen met klokkijken en krijgen de tafeltjes niet van buiten geleerd. Begrippen als breuken en procenten zijn erg moeilijk en in de winkel het wisselgeld natellen is een ramp voor hen. Toch hebben deze kinderen een normale intelligentie, zij zijn absoluut niet dom!

Dyscalculie is een rekenstoornis waarbij het gaat om ernstige en hardnekkige problemen met het leren en vlot/accuraat oproepen/toepassen van reken- en wiskundekennis (feiten en afspraken), die blijvend zijn ook na gedegen onderwijs. Kinderen met dyscalculie slagen er niet in zich rekenvaardigheden vlot eigen te maken. Het handboek van psychische stoornissen, de DSM-IV, beschrijft een rekenstoornis als volgt: Rekenvaardigheden die duidelijk beneden het verwachte niveau liggen, met inachtneming van de leeftijd, de intelligentie en het gevolgde onderwijs, leidend tot flinke problemen op school of in het dagelijks leven zonder dat dit het gevolg is van zintuiglijke tekorten.

In de eerste jaren van het basisonderwijs worden de basisvaardigheden als optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen intensief geoefend met het doel deze te automatiseren. Deze vaardigheden zitten na het oefenen opgeslagen in het lange termijngeheugen en worden daar als het nodig is  automatisch uit naar boven gehaald. Dat is handig, want van deze opgeslagen kennis moet je gebruik kunnen maken als de rekenopgaven ingewikkelder worden.

Op jonge leeftijd hebben kinderen met dyscalculie vaak al moeite met het voorbereidend rekenen, zoals met het doortellen en terugtellen, ze ‘vertellen’ zich vaker  en zijn sneller de tel kwijt. Ze weten soms niet dat 1 in 71 een andere waarde heeft dan 1 in 15 en draaien getallen om; 24 wordt 42. Bij het maken van eenvoudige sommen maken ze vaak gebruik van een tellende strategie waarbij ze hun vingers gebruiken. De tientaloverschrijding is moeilijk voor hen, maar vooral het automatiseren van feiten (bijvoorbeeld tafeltjes) is een probleem. Ze hebben moeite met de volgorde van de stappen die bij complexe berekeningen gemaakt moeten worden. Ze hebben houvast aan één vaste strategie, omdat zij meer moeite hebben met het overschakelen van de ene strategie naar de andere.

Uit onderzoek blijkt dat een rekenstoornis vaak gepaard gaat met andere stoornissen, zoals een geheugenstoornis, een aandachtstoornis of een visueel ruimtelijke stoornis. Tom Braams noemt dyscalculie een verzamelnaam voor uiteenlopende rekenstoornissen.

Tot de basisvaardigheden behoren getalbegrip, telvaardigheid, kennis van rekenhandelingen en ruimtelijk inzicht, maar rekenen doet ook een beroep op de leesvaardigheid (redactiesommen), op algemene probleemoplossende vaardigheden en het geheugen. Op elk gebied kunnen zich problemen voordoen. Talige begrippen zijn ook van belang, bijvoorbeeld: handelingsbegrippen (erbij en eraf doen), kwantitatieve begrippen (meer, minder, evenveel), specifieke begrippen (plus, keer, procent) en niet specifieke begrippen (overhouden, verhouden).

Wanneer dyscalculie/rekenproblemen niet worden herkend, kan dat een heel vertekend beeld geven van de capaciteiten van een kind. Dit brengt frustraties met zich mee en kan als gevolg hebben dat het kind een negatief zelfbeeld ontwikkelt. In de praktijk merk ik dat vooral meisjes bij wie dyscalculie is vastgesteld, zichzelf dom vinden. Bij het woord ‘rekenen’ is de faalangst van hun gezicht af te lezen.

Wanneer het rekenen moeizaam blijft verlopen is het zinvol onderzoek te laten doen door een orthopedagoog. Deze kan beoordelen of er sprake is van een rekenstoornis, want niet alle kinderen met rekenproblemen hebben dyscalculie. Rekenproblemen kunnen ontstaan door slecht onderwijs, verkeerde rekenmethodes of door hiaten die zijn ontstaan door ziekte of langdurig verzuim. Deze rekenproblemen zijn met een goede didactische begeleiding te behandelen. Rekenproblemen worden ook meer vanuit leerpsychologisch dan vanuit ontwikkelingspsychologisch oogpunt bekeken.

Het is belangrijk om de rekenproblemen in een vroegtijdig stadium te signaleren en te behandelen, omdat kinderen anders grote problemen gaan krijgen met wiskunde in het voortgezet onderwijs. Wanneer je als ouder ziet dat het rekenen moeizaam verloopt, in tegenstelling tot de andere leervakken, wacht dan niet te lang af en neem tijdig contact op met de leerkracht. Komt u beiden niet tot een oplossing, dan is het zinvol dat er een juiste diagnose en een afgestemd behandelingsplan komt.

Wanneer er sprake is van een rekenstoornis krijgen kinderen een dyscalculieverklaring. Hiermee worden voorzieningen geadviseerd zoals het gebruik van een rekenmachine, extra tijd bij toetsen en het gebruik van kaarten met oplossingsprocedures of dispensaties (vermindering van aantal taken per toets of de kans geven om mondeling toelichting te geven op berekeningen). Vaak zijn immers berekeningen op zich wel correct, maar is de uitkomst fout omdat zij bijvoorbeeld cijfers hebben verwisseld.